29 maart 2007

Postbank

Een paar weken geleden bracht ik een vrijdagavond door op het Onze Lieve Vrouw College in Breda. Een leuke creatieve school waar mijn muzikale jongste zusje zich prima lijkt te vermaken. Deze avond was ik speciaal overgekomen uit het Leidse om haar op te zien treden tijdens het schoolconcert, een avond met optredens door de school heen. Nadat we haar afgezet hadden eerst nog een stukje vrijdagmiddagborrel in de kroeg om de hoek meegepikt met mijn ouders (a first!). Na deze bijzondere ervaring was het prachtig om mijn zusje te zien schitteren met haar gitaar terwijl ze een vriendinnetje begeleidde. ‘True Colors’ heeft nog dagen in mijn hoofd gezeten.

Toen haar optreden voorbij was zette mijn vader me af op het station in Breda omdat ik de volgende dag toch echt wel moest studeren. Na een praatje te hebben gemaakt met de controleurs bij de roltrap, op het perron gaan wachten. Toen mijn trein niet bleek te rijden besloot ik bij de AH-ToGo een watertje te gaan kopen en al nagenietend van het optreden en de prettige vibes van de controleurs stond ik wat dromerig geld te pinnen. Bij de koeling van de AH was de normaliter zeer simpele keuze voor een flesje Spa blauw ineens redelijk pittig en er ging een hele discussie met de vakkenvuller over de recyclebaarheid van spaflesjes vooraf aan mijn aankoop. Bij de kassa aangekomen wilde ik betalen en had ik ineens geen geld. Dat zat nog in de geldautomaat.

Niet dus. Vergeten m’n geld mee te nemen. Jaja. 40 euro pleite. 40 euro is best veel. Anyways, de jongen die bij de Burger King zijn hamburger stond te eten had niets gezien, de bewakers in de gang ook niet en bij de NS-mannen die net waren afgelost had zich ook geen eerlijke vinder gemeld. Pff, daar ging m’n vertrouwen in de mensheid!

En dan dat baalgevoel. Wat is nou 40 euro? Maarja, het zomaar weggooien is wel zonde. Het idee dat ik misschien wel iemand heel blij had gemaakt wilde er nog niet echt in. Mijn volgende trein had ook vertraging, zucht. Een lief vriendinnetje haalde me nog wel over eenmaal terug in Leiden een drankje in de Burcht te komen doen, maar het ging niet echt van harte.

In de Burcht aangekomen begon ik tegen de eerste de beste bekende mijn ultiem zielige verhaal te doen. Deze slimme man was echter zeer opgewekt in staat mijn humeur 180 graden te doen keren. “Weet je, als je dat geld er niet uit haalt, slikt de automaat het na een tijdje gewoon weer in!”. Hey, dat is nou nog eens prettige informatie. Avond gered.

En inderdaad. De volgende dag een mailtje naar de Postbank gestuurd en ik had ’s maandags al een reply. “Beste mevrouw, wat vervelend......... er wordt een betalingsverzoek opgestart, we hebben contact”. Wat vervelend, wat vervelend? Heb ik ooit eerder een bank ‘wat vervelend’ tegen me horen zeggen? Nee. Wat fijn, die Postbank. En nog geen week later, een keurige brief. Met excuses! I.H. Menzen, u bent mijn held(in)! Nu nog een goede bestemming voor die 40 euro. Iemand een idee?




23 maart 2007

Dancing on the ceiling I



































































(click on an image to enlarge)

19 maart 2007

Kan jij nog alleen zijn met je gedachten?

Hoe zouden onze levens er uit zien zonder mobiele telefoon, email, msn, hyves, internet, skype, pinpassen, blogs, online bankieren, digitale bibliotheekarchieven, usb-sticks, goedkope vliegtickets, ipods, tv, en al die andere dingen waar ik nu zo moeilijk op kan komen omdat ze zo’n onafscheidelijk deel van mijn leven geworden zijn? Soms praat ik met vrienden over waarom we nou eigenlijk zoveel tijd besteden aan Hyves enzo, over de andere zaken hebben we het al niet eens meer.

Toen las ik in Opinio een column van Theodore Dalrymple. Hij schrijft over intolerantie tegen stilte en komt hierop doordat hij verbaasd was over in stilte wandelende mensen aan de Engelse kust. De mensen zagen er zelfgenoegzaam uit en Dalrymple vermoedt dat dit kwam doordat ze alleen met hun gedachten konden zijn. Hij betwijfelt of de moderne mens deze zelfgenoegzaamheid ooit zal bereiken. Deze mens is volgens Dalrymple allergisch voor stilte geworden en doet alles om deze te vermijden. Continu is de mens op zoek naar impulsen, in de vorm van geluid of iets anders. Dalrymple denkt dat de alomtegenwoordigheid van entertainment de belangrijkste oorzaak is van verveling, die ook alomtegenwoordig is. Hij zegt dat mensen de contemplatie schuwen omdat ze er dan achter zouden komen hoe leeg hun levens eigenlijk zijn. (http://www.opinio.nu/node/163)

Nu is Theodore Dalrymple natuurlijk niet de meest onomstreden persoon, maar meestal vind ik zijn punten wel raak klinken. Zeker in dit geval.

In mei word ik 26. Dat betekent dat ik nu voor het eerst in 10 jaar, sinds de tijd dat ik 16 was en begon met chatten en dat soort dingen, woon in een huis dat geen internetaansluiting heeft. Daarnaast heb ik in mijn nieuwe kamer ook geen tv. Eigenlijk is het dus ik en mijn boeken, en niet heel veel meer. Ik geef toe, het is even afkicken, maar ik was dan ook een veelgebruiker. Dat de aandacht zich nu niet meer op een muisklik afstand bevindt, blijkt goed voor me te zijn. Ik betrap mezelf er zelfs zo nu en dan op dat ik gewoon wat voor me uit zit te denken.

Toen we met de leesclub het boek ‘Tijd van Onbehagen’ van Ad Verbrugge lazen moest ik steeds denken aan een idee van deze filosoof dat hij ooit uitte in een Tegenlicht documentaire. Hij zei dat we tegenwoordig niet meer volwassen willen worden. Dat volwassenheid het ideaal niet meer is. Dit ideaal is vervangen door het ideaal van de jeugd. Kleine meisjes willen Britney Spears zijn, jonge vrouwen willen Britney Spears zijn en dertigers willen nog steeds Britney Spears zijn. Hoewel ik me afvraag in hoeverre het voorbeeld Spears na haar recente uitspattingen nog passend is, strookt deze afkeer van volwassen worden wel met het idee van Dalrymple over deze tijd. Contemplatie is toch noodzakelijk voor volwassen worden? En als we daar niet meer aan doen, worden we dan ook niet volwassen? Een samenleving van jongeren… hmmm.. hoe zou dat zijn?

Ik stel je de vraag. Kan jij nog alleen zijn met je gedachten?


Ferry

Nadat Hans Dijkstal ons vorige week gemeld had dat het met de kwaliteit van de vaderlandse journalistiek slecht gesteld was, maar nog net niet zo slecht als met de politici, was het vandaag (woensdag 14/3) aan de eindredacteur van Den Haag Vandaag (NOVA), Ferry Mingelen, om de relatie tussen politiek en media vanaf de zijde de laatste te belichten. De drie kwartier die de docent hem als leidraad had gegeven voor de duur van zijn praatje, vond Mingelen ietwat scary geloof ik, journalisten zijn immers gewend om ‘slechts 45 seconden vol te praten’. Na een korte inleiding ging hij dan ook spoedig over op het beantwoorden van velerlei vragen.

Hij vertelde dat de zorg over de journalistiek ook een koninklijke zorg is. Koningin Beatrix heeft blijkbaar in een troonrede in de jaren ’80 al eens haar zorgen geuit en recentelijk deed ook prinses Mabel een duit in het zakje. Eerlijk vond Mingelen dat niet echt aangezien de interviews met het koninklijk huis altijd strak geregisseerd zijn (vragen vooraf en antwoorden achter controleren) en prinses Mabel zelf niet eens over het maffiabaas-gebeuren wilde praten. Prins Willem-Alexander zei echter tijdens het bezoek aan Turkije dat 99% van de Nederlandse media goede bedoelingen heeft. Hier was Mingelen dan wel weer blij mee.

Via dit uitstapje naar onze ‘royals’ kwam hij op de vraag wat nou eigenlijk de taak van de media is. Volgens Mingelen is dit puur en alleen het verslag doen van wat er gebeurt. Dit noemt hij een ‘geloofsartikel’. De manier van verslaggeving is de afgelopen decennia behoorlijk veranderd. Toen Mingelen aan het begin van zijn carriere (toen hij net uit dienst was, een baan zocht en werd aangenomen bij op de Haagse redactie van dagblad Het Vrije Volk omdat deze spoedig zou worden gesloten en alle gerenommeerde journalisten reeds vertrokken waren), moest hij de gemeenteraadsvergaderingen verslaan. Omdat zijn krant gelieerd was aan de PvdA, behoorde hij bij de fractievergadering aan te schuiven om zo goed op de hoogte te raken van de partijstandpunten. Goed gebruik in die tijd. Mingelen wilde aan onafhankelijke journalistiek doen en weigerde dit dan dus ook. Hier werd hij vreemd voor aan gekeken. In die tijd waren de kranten gelieerd aan partijen en was de invloed van de laatste op de eerste erg groot. Het punt van Mingelen is dat je je als journalist niet te gemakkelijk voor de kar van de politici moet laten spannen als het duidelijk is dat hiermee specifieke belangen gediend worden.

Vervolgens gaat hij in op de manier waarop er op de Den Haag Vandaag redactie onderwerpen voor het programma gekozen worden. Hierbij wordt een mix van de volgende vragen als handvat gebruikt: Is het onderwerp interessant voor veel mensen? Is er een aardige discussie over te verwachten? Is het een belangrijk onderwerp? Voor vanavond ging het tussen de onderwerpen ‘Uitkomsten milieu-top EU’ en ‘De positie van kamervoorzitter Verbeet’. En, met een knipoogje naar het stuk over Dijkstal, nu werd het pas echt interessant.

De politicologie-studenten, al weken getraind in medialogica en de opkomst van hypes etc., besloten Mingelen eens even goed aan de tand te voelen. Mingelen hield zich kranig, hij was waarschijnlijk al lang blij dat zijn monoloog hierbij afgerond was en hij mocht overgaan (na 10 minuten) op de hem vertrouwde vragen (alleen dit keer in de rol van geinterviewde).

Mingelen was het absoluut niet met ons, de studenten, eens dat een hype iets redelijk slechts is. Wij (ik spreek over wij en bedoel hiermee de mensen die vragen stelden tijdens het college) bleken hypes te zien als door de media opgeklopte verhalen die juist hierdoor belangrijker worden dan ze zijn en de meningsvorming van de massa bepalen (heel zwart-wit gesteld). Mingelen stelde hier tegenover dat een hype inderdaad zoiets is, maar enkel als het over iets in wezen onbelangrijks gaat. De hypes van de laatste tijd (Wilders, dubbele nationaliteiten) kun je volgens hem geen hypes noemen omdat de aandacht voor deze onderwerpen niet meer dan terecht is. Het gaat namelijk volgens Mingelen om een issue dat de emoties van de bevolking over de problemen rondom integratie van allochtonen raakt. Hij ziet de taak van de media in deze voornamelijk als het weergeven van wat er gebeurt. Dat er op dit punt binnen bijvoorbeeld de NOS-redactie ook discussie is, zegt hij wel. Ze hadden laatst gesproken over de manier van verslaglegging rondom Wilders en of zij hier een bepaalde verantwoordelijkheid hebben. Mingelen hoorde in deze bij de kant die er voor pleitte zo natuurlijk mogelijk verslag te leggen. De aandacht die wij een hype noemen, vindt Mingelen in het geval van deze onderwerpen enkel terecht. Mingelen vindt het ook goed dat de partijen nu het integratiedebat aangaan. Politieke partijen (en dus ook de media?!) hebben deze sentimenten lang niet besproken. De media zal in deze een platform bieden aan de verschillende denkbeelden.

Mingelen zegt ook dat het op een gegeven moment niet meer interessant is om Wilders in beeld te brengen als hij steeds hetzelfde doet. Het is zo dat nieuws zichzelf toch wel uitholt en dat het dus beter is om de zaken maar te tonen. Mingelen definieert nieuws verder als iets dat anders is. Omdat de meeste zaken in de wereld wel ‘leuk’ of ‘prima’ zijn, is nieuws vaak datgene dat minder leuk is.

We blijven geïnteresseerd in de link hype-kijkcijfers en gooien het over een andere boeg. Nu het verschil tussen commerciële zenders en de publieke omroep. Mingelen zegt dat RTL veel meer te maken heeft met de kijkcijfers dan de NOS en dat ze desondanks toch vaak met dezelfde onderwerpen komen. Hij denkt dat dit komt omdat ze immers allemaal journalisten zijn (ik vraag me dan weer af of ze niet met z’n allen achter hetzelfde nieuws aanrennen, maar dat terzijde). Hij zegt ook weer dat de media graag het nieuws wil brengen dat aansluit bij wat de bevolking voelt. Tegen ons wetenschappers zegt hij dat in de wetenschap de kracht van emoties vaak wordt onderschat en dat er te strikte scheidingen worden aangebracht tussen verschillende aspecten van zaken.

Over zijn relatie tot de politiek zegt Mingelen dat deze niet sterk veranderd is sinds te tijd dat hij verslaggever was voor Het Vrije Volk. Hij wil nog steeds een zakelijke relatie met politici houden en dit betekent dat hij minder vaak primeurs zal hebben. Een ander aspect van de verslaggeving van Den Haag is dat je vaak dingen moet zeggen over zaken waar je zelf niet bij aanwezig bent geweest. Dit levert discrepanties op omdat de werkelijkheid moeilijk te benaderen is en de werkelijkheid ook niet voor iedereen die wel aanwezig was hetzelfde is.

Op een vraag in hoeverre de media het nieuws beïnvloedt dmv montage, zegt Mingelen dat veel Nederlandse politici zulke slechte sprekers zijn en met zulke onsamenhangende verhalen komen dat montage een noodzaak is. Kijkers hebben tegenwoordig een zeer korte ‘attention-span’ en zappen direct weg bij een saai verhaal van een politicus. De media wil graag dat mensen blijven kijken en maken daarom de interviews aantrekkelijker door te monteren, maar ook bijvoorbeeld door veel te interrumperen. Zo verweert Mingelen zich tegen de kritiek dat hij zichzelf wel erg graag hoort praten.

En ach, die kritiek was wel een beetje terecht, maar toch is het best een aimabele man.

16 maart 2007

Zevensprong




8 maart 2007

Hans

Heerlijk toch als vooroordelen niet blijken te kloppen. Voor mijn honours class bij filosofie, ‘Ethnography of Academic Disciplines’, gebruiken we de etnografische methode van het kijken naar inheemse culturen uit de antropologie om verschillende wetenschapsgebieden met elkaar te vergelijken. Reeds in de eerste twee gevallen die we bestuderen (wiskunde en natuurkunde) liep ik aan tegen dingen die ik altijd al dacht, maar die niet of in veel mindere mate ook daadwerkelijk zo zijn.

Zo ook vanochtend tijdens een college Politiek & Media. Er was een gastspreker, Hans Dijkstal. Nu weet ik niet wat voor beeld anderen van deze man hebben, maar mijn beeld dat van een min of meer afgeserveerde VVD-politicus, man van de oude stempel, keurig maar wat saai. Een oppervlakkig beeld, dat geef ik toe. Hij gaf een college dat mijn verwachtingen ruimschoots overtrof en hij wekte mijn interesse in dusdanige mate dat ik nu niet kan wachten mij te verplaatsen (ik schrijf dit in mijn internet-vrije kamer) naar een universiteitscomputer om de beste man eens even door Google te gooien om te kijken wat voor interessante dingen hij tegenwoordig doet. Aangezien ik vind dat wat hij vertelde een breed gehoor moet krijgen, bij deze een kort verslag.

Het eerste deel is wat saai, bij gebrek aan tijd is mijn advies verder te lezen bij ‘En hier werd het interessant’.

Van onze docent had Dijkstal waarschijnlijk de opdracht gekregen een verhaal te houden rondom de stelling ‘De politieke agenda in Den Haag wordt meer door journalisten dan door politici bepaald’. De media worden soms ‘vierde macht’ genoemd en hoewel Dijkstal dacht dat deze term vaker voor de ambtenarij gebruikt werd, kon hij zich wel vinden in de bewering dat de media tegenwoordig erg veel invloed hebben. De drie machten van de trias politica zijn bedoeld om elkaar te controleren en de vraag is dus ook altijd wie de ‘vierde macht’, welke dat dan ook mag zijn, controleert. Dijkstal achtte de macht van de ambtenarij niet te groot in Nederland. Omdat macht verder een bepaalde organisatiegraad veronderstelt en de media eigenlijk bestaan uit vele individuele actoren, kan de media volgens Dijkstal niet direct ‘machtig’ genoemd worden, maar wel zeer invloedrijk. Het is dan de vraag wie de media controleert. Gezien de vrijheid van meningsuiting en pers in de grondwet kan dit volgens Dijkstal zeker niet de overheid zijn.

De omgang tussen politici en journalisten is volgens Dijkstal in Nederland erg professioneel en fatsoenlijk. Er bestaat een ongeschreven regel dat de parlementaire pers zich niet mengt in prive-aangelegenheden van politici, tenzij deze beleidsconsequenties hebben (Oudkerk). Den Haag heeft echter sterk het karakter van een gesloten circuit dat bestaat uit een paar honderd mensen. Binnen deze Haagse ‘kaasstolp’ bestaat er een rare tegenstelling tussen de kamerleden en journalisten. Aan de ene kant is er de journalist die ’s ochtends met een halve kater opstaat en die dag toch echt zijn redacteur moet voorzien van materiaal dat duidelijk moet maken dat hij zich nuttig maakt met het controleren van de politiek. De journalist heeft hiervoor echter een goede verhouding met de kamerleden en de ministers nodig. Aan de andere kant is er de politicus die, met een iets kleinere kater, opstaat en toch echt wel de aandacht van de kiezer wil trekken, zich moet profileren. Hiervoor heeft hij, om ook maar enig impact te hebben, de journalist nodig, en dan bij voorkeur de tv-journalist. Er bestaat onder de stolp dus een grote kans van het dicht tegen elkaar aan schurken van politici en media. Dijkstal vindt dat dit steeds sterker wordt en dat er nu meer dan ooit sprake zou moeten zijn van een beroepsethiek aan beide kanten.

Omdat journalisten vaak ook het tv-journaal als bron gebruiken voor de onderwerpen waar ze stukken over schrijven en omdat er vaak een enorme druk achter zit om een nieuwtje te plaatsen zodat niet alleen de concurrent het heeft, wordt er vaak geen hoor en wederhoor meer toegepast. Dijkstal vindt dit mechanisme logisch, maar niet goed. Hij wijt het krachtiger worden ervan aan de sterke concurrentie in de media en maakt zich dus ook zorgen over de kwaliteit van de journalistiek.

De daling in kwaliteit van de gemiddelde politicus vindt hij echter veel schrikbarender. 70% van de huidige kamerleden zit volgens Dijkstal korter dan vier jaar in de Tweede Kamer. Dit is de plaats waar het collectieve geheugen van de democratie zich zou moeten bevinden. Deze cruciale plaats is nu echter gevuld met mensen die geen idee hebben waar bepaalde ontwikkelingen vandaan komen of wat het verhaal achter een ingevoerde wet is. Dit vindt Dijkstal een zorgelijke ontwikkeling.

De ontmoeting tussen media en politiek is spannend. Er bestaat zoals gezegd en tegenstrijdigheid tussen wat beide kanten willen en kunnen krijgen. Politieke partijen hebben zo langzamerhand allerlei instrumenten bedacht om de pers te informeren/voor te lichten/te beinvloeden. Volgens Dijkstal kan je hier redelijk geavanceerd mee omgaan. Hij acht echter een langdurige, persoonlijke relatie tussen politicus en journalist waarin openheid belangrijk is het beste. Zolang je maar goed nadenkt als politicus wat je wilt en kunt zeggen, is een dergelijke relatie het beste. Respect is vaak wederkerig. Hij is zelf maar een keer door de media ‘verneukt’ (jaja, dat woord paste niet echt in mijn vooroordeel).

Dijkstal heeft dus niet zo’n heel negatief oordeel over de vaderlandse pers. Het enige dat hij niet uit kan staan is dat andere mensen dan die een artikel geschreven hebben de kop erboven plaatsen. Toch ziet hij reden voor grote zorg. En hier werd het interessant!

In de geschiedenis van de Westerse maatschappij zijn er twee kantelmomenten geweest: de industriele revolutie en de Tweede Wereldoorlog. Volgens Dijkstal zal de periode van zo 1975 tot nu over 50 jaar aangeduid worden als een nieuw kantelmoment. Dit derde moment werd veroorzaakt doordat de Koude Oorlog de motor van allerlei spectaculaire technologische ontwikkelingen werd. Deze verandering kent echter twee problemen. Ten eerste moet de mens zich na technologische vooruitgang ook sociaal gezien aanpassen, ‘Hoe gaan wij simpele mensen hiermee om?’. Ten tweede kunnen mensen volgens Dijkstal per definitie slecht tegen veranderingen omdat ze er onzeker van worden. Men gaat op zoek naar zekerheden en als die niet te vinden is gaat men gefrustreerd gedrag vertonen. In longitudinaal onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau geven mensen al jaren aan dat ze gelukkig zijn met hun prive-sfeer, maar onzeker zijn over de maatschappelijke ontwikkelingen.

De Nederlander is de laatste decennia dan ook geconfronteerd met een aanzienlijk aantal ontwikkelingen. Dijkstal noemt secularisatie, individualisering, fragmentarisering (ieder zn eigen groep), ont-hierarchisering, informalisering (regels zijn minder van belang), technologisering (hij noemt email de slechtste ontwikkeling ooit en reeds een sociaal probleem) en internationalisering (veel problemen zijn niet meer nationaal op te lossen). Later noemt hij nog de immigratie-golf. Deze veranderingen zorgen voor grote onzekerheden binnen de Nederlandse maatschappij. De vraag is hoe we zekerheid kunnen verkrijgen.

Dijkstal zegt dat het van je omstandigheden afhangt of je hier in slaagt. Hij noemt het boek van een Nederlandse hoogleraar in Washington die de ramp in New Orleans naar Nederland verplaatste. Het water komt tot Apeldoorn, maar een kleine strook aan de kust is veilig. Dijkstal woont in Wassenaar. Naast dat de mensen in Wassenaar hun persoonlijke, sociale en maatschappelijke omstandigheden al mee hebben, spaart dus ook het water hen in geval van nood. Anderen zijn slechter af.

De ontwikkelingen in de communicatie-technologie zijn enorm. De rol van televisie is groot. Beeld is onze samenleving gaan domineren door de massaliteit waarmee tv in ons leven aanwezig is. Het is alsof we permanent met beelden gebombardeerd worden. Daarnaast groeit ook de rol van Internet. Ook kranten worden beheerst door beelden, foto’s worden zo geplaatst dat ons oog er direct op valt. Soms wekken de foto’s positieve emoties op, maar vaak ook negatieve. Onze reactie op beelden is als een reflex, onze hersenen beginnen pas later met denken.

Volgens Dijkstal is deze ontwikkeling zo snel gegaan dat we geen idee hebben wat voor invloed en kracht beeld heeft. Het resultaat is echter wel dat we continu in hypes zitten (moord van Gogh) en dat iedereen daarin achter elkaar aan loopt. De reacties zijn buiten proportioneel. Een goed voorbeeld is het recente vraagstuk van de dubbele nationaliteit waarover iedereen een mening heeft, maar wat eigenlijk een zeer gecompliceerd vraagstuk is dat nauwkeurige bestudering vraagt. Zonder tv zouden hypes in deze omvang niet mogelijk zijn geweest. Het probleem is, en hier leent Dijkstal van UvA-hoogleraar (en Leids Cleveringa-hoogleraar) Schuyt, dat tv geen context kent en dat je die context enkel verweft door te lezen.

Dijkstal vraagt zich af of wij vinden dat er nog een fort is om te verdedigen.

We moeten een ding echter niet vergeten. Ooit hebben we besloten een grondwet te maken, een democratie te stichten en een rechtstaat op te bouwen omdat we alle slechte zaken uit het verleden (geweld, moord, foltering, etc.) een halt toe wilden roepen. Deze instituties komen door de huidige ontwikkelingen echter wel in gevaar als controle moeilijker wordt. Door de tv (Dijkstal vertelt over een minister die reageert op iets waarover hij niets te zeggen heeft omdat het gedecentraliseerd is naar provinciaal niveau, maar waarover een kamerlid toch een vraag heeft gesteld nadat zij in een uitzending van Nova woest had gereageerd op de gegeneraliseerde problematiek die het programma had opgepikt nadat er een tip was binnengekomen over 1 geval) wordt populisme makkelijker.

Dijkstal voorziet ook dat het populisme (dat hij definieert als populair, oppervlakkig en enigszins demagogisch redeneren om stemmen te werven) in de Nederlandse politiek enkel zal groeien. Populisme en openbaar bestuur zijn echter niet te verenigen. Luizen in de pels zijn nuttig, maar als ze meedoen aan een regering zorgt dat voor het slechtste kabinet ooit (Balkenende I). Dijkstal vindt dat er bepaalde sentimenten onder de bevolking terecht zijn, zoals het gevoel van onveiligheid. Andere sentimenten zoals xenofobie, respectloosheid en de invoering van de doodstraf moet je volgens hem niet willen, hij dacht dat we daar nu toch wel over uit waren. Deze sentimenten brengen onze rechtstaat en democratie in gevaar en dit kan iemand als Geert Wilders niet willen. Dijkstal voorspelt ook dat hij hierop onderuit zal gaan.

Dijkstal is het ook fundamenteel oneens met mensen als Wilders, maar ook Hirsi Ali, dat zij geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor dingen die als gevolg van hun uitspraken in de Kamer gebeuren. Zeker in de Tweede Kamer heb je een sterke verantwoordelijkheid. Bij het recht van vrijheid van meningsuiting hoort ook een plicht, zijnde het in ogenschouw moeten nemen van het effect van je woorden.

Dijkstal legt hier een link met tv-makers. Deze zijn volgens hem ook slecht op de hoogte van het effect van de dingen die ze produceren. Zo zei hij ooit tegen Peter Arnett, de journalist die als eerste oorlogen voor CNN versloeg, dat het resultaat van zijn daden was dat Dijkstal geconfronteerd werd met precieze beelden van de val van Baghdad, met raketten die mensen doodden. Dijkstal heeft ook problemen met reality-shows die mensen vreselijke dingen tonen en toch ook een bepaalde sensatielust in mensen opwekken.

Echt met oplossingen komt Dijkstal niet. Hij vindt dat politici zich meer bezig zouden moeten houden met lange-termijn beleid en minder met de waan van de dag. Ook zegt hij dat ze geen uitspraken zouden moeten doen over zaken waar ze niets mee te maken hebben. Hij denkt dat de ontwikkeling op een zeker moment zichzelf wel zal corrigeren.

Dijkstal had het niet over onderwijs, over het opvoeden van verantwoordelijke burgers die dit soort ontwikkelingen begrijpen. Voor mij zijn die zaken cruciaal. Ik ben het voor het grootste deel eens met zijn schets, al begreep ik een studiegenoot van me ook wel toen hij zei dat er wel heel erg de nadruk werd gelegd op het negatieve en dat veel politici ook zeker achter de schermen bezig zijn met nuttige zaken. Ik moest ook continu denken, en een andere studiegenoot ook, aan het boek The Human Condition van Hannah Arendt, dat we onlangs lazen voor een ander vak, animal laborans. Ik kreeg verder het gevoel dat de media onderling, in de strijd om het beste nieuwtje aan de ene kant en de wens om goed onderzoek te doen aan de andere kant, in een enorm Prisoner’s dilemma verwikkeld zijn, maar daarvoor moet ik toch echt mijn boek over rationele keuzetheorie wat beter doorspitten. Mijn studie is best leuk!

En over Hans Dijkstal. Hoewel ik nu ik dit allemaal heb neergetypt niet echt een zeer duidelijke lijn in zijn betoog kan ontwaren en graag oplossingen had gehoord van hem, ben ik er wel achter dat mijn vooroordeel van hem slechts gedeeltelijk klopte. Wat een inspirerende spreker!