8 maart 2007

Hans

Heerlijk toch als vooroordelen niet blijken te kloppen. Voor mijn honours class bij filosofie, ‘Ethnography of Academic Disciplines’, gebruiken we de etnografische methode van het kijken naar inheemse culturen uit de antropologie om verschillende wetenschapsgebieden met elkaar te vergelijken. Reeds in de eerste twee gevallen die we bestuderen (wiskunde en natuurkunde) liep ik aan tegen dingen die ik altijd al dacht, maar die niet of in veel mindere mate ook daadwerkelijk zo zijn.

Zo ook vanochtend tijdens een college Politiek & Media. Er was een gastspreker, Hans Dijkstal. Nu weet ik niet wat voor beeld anderen van deze man hebben, maar mijn beeld dat van een min of meer afgeserveerde VVD-politicus, man van de oude stempel, keurig maar wat saai. Een oppervlakkig beeld, dat geef ik toe. Hij gaf een college dat mijn verwachtingen ruimschoots overtrof en hij wekte mijn interesse in dusdanige mate dat ik nu niet kan wachten mij te verplaatsen (ik schrijf dit in mijn internet-vrije kamer) naar een universiteitscomputer om de beste man eens even door Google te gooien om te kijken wat voor interessante dingen hij tegenwoordig doet. Aangezien ik vind dat wat hij vertelde een breed gehoor moet krijgen, bij deze een kort verslag.

Het eerste deel is wat saai, bij gebrek aan tijd is mijn advies verder te lezen bij ‘En hier werd het interessant’.

Van onze docent had Dijkstal waarschijnlijk de opdracht gekregen een verhaal te houden rondom de stelling ‘De politieke agenda in Den Haag wordt meer door journalisten dan door politici bepaald’. De media worden soms ‘vierde macht’ genoemd en hoewel Dijkstal dacht dat deze term vaker voor de ambtenarij gebruikt werd, kon hij zich wel vinden in de bewering dat de media tegenwoordig erg veel invloed hebben. De drie machten van de trias politica zijn bedoeld om elkaar te controleren en de vraag is dus ook altijd wie de ‘vierde macht’, welke dat dan ook mag zijn, controleert. Dijkstal achtte de macht van de ambtenarij niet te groot in Nederland. Omdat macht verder een bepaalde organisatiegraad veronderstelt en de media eigenlijk bestaan uit vele individuele actoren, kan de media volgens Dijkstal niet direct ‘machtig’ genoemd worden, maar wel zeer invloedrijk. Het is dan de vraag wie de media controleert. Gezien de vrijheid van meningsuiting en pers in de grondwet kan dit volgens Dijkstal zeker niet de overheid zijn.

De omgang tussen politici en journalisten is volgens Dijkstal in Nederland erg professioneel en fatsoenlijk. Er bestaat een ongeschreven regel dat de parlementaire pers zich niet mengt in prive-aangelegenheden van politici, tenzij deze beleidsconsequenties hebben (Oudkerk). Den Haag heeft echter sterk het karakter van een gesloten circuit dat bestaat uit een paar honderd mensen. Binnen deze Haagse ‘kaasstolp’ bestaat er een rare tegenstelling tussen de kamerleden en journalisten. Aan de ene kant is er de journalist die ’s ochtends met een halve kater opstaat en die dag toch echt zijn redacteur moet voorzien van materiaal dat duidelijk moet maken dat hij zich nuttig maakt met het controleren van de politiek. De journalist heeft hiervoor echter een goede verhouding met de kamerleden en de ministers nodig. Aan de andere kant is er de politicus die, met een iets kleinere kater, opstaat en toch echt wel de aandacht van de kiezer wil trekken, zich moet profileren. Hiervoor heeft hij, om ook maar enig impact te hebben, de journalist nodig, en dan bij voorkeur de tv-journalist. Er bestaat onder de stolp dus een grote kans van het dicht tegen elkaar aan schurken van politici en media. Dijkstal vindt dat dit steeds sterker wordt en dat er nu meer dan ooit sprake zou moeten zijn van een beroepsethiek aan beide kanten.

Omdat journalisten vaak ook het tv-journaal als bron gebruiken voor de onderwerpen waar ze stukken over schrijven en omdat er vaak een enorme druk achter zit om een nieuwtje te plaatsen zodat niet alleen de concurrent het heeft, wordt er vaak geen hoor en wederhoor meer toegepast. Dijkstal vindt dit mechanisme logisch, maar niet goed. Hij wijt het krachtiger worden ervan aan de sterke concurrentie in de media en maakt zich dus ook zorgen over de kwaliteit van de journalistiek.

De daling in kwaliteit van de gemiddelde politicus vindt hij echter veel schrikbarender. 70% van de huidige kamerleden zit volgens Dijkstal korter dan vier jaar in de Tweede Kamer. Dit is de plaats waar het collectieve geheugen van de democratie zich zou moeten bevinden. Deze cruciale plaats is nu echter gevuld met mensen die geen idee hebben waar bepaalde ontwikkelingen vandaan komen of wat het verhaal achter een ingevoerde wet is. Dit vindt Dijkstal een zorgelijke ontwikkeling.

De ontmoeting tussen media en politiek is spannend. Er bestaat zoals gezegd en tegenstrijdigheid tussen wat beide kanten willen en kunnen krijgen. Politieke partijen hebben zo langzamerhand allerlei instrumenten bedacht om de pers te informeren/voor te lichten/te beinvloeden. Volgens Dijkstal kan je hier redelijk geavanceerd mee omgaan. Hij acht echter een langdurige, persoonlijke relatie tussen politicus en journalist waarin openheid belangrijk is het beste. Zolang je maar goed nadenkt als politicus wat je wilt en kunt zeggen, is een dergelijke relatie het beste. Respect is vaak wederkerig. Hij is zelf maar een keer door de media ‘verneukt’ (jaja, dat woord paste niet echt in mijn vooroordeel).

Dijkstal heeft dus niet zo’n heel negatief oordeel over de vaderlandse pers. Het enige dat hij niet uit kan staan is dat andere mensen dan die een artikel geschreven hebben de kop erboven plaatsen. Toch ziet hij reden voor grote zorg. En hier werd het interessant!

In de geschiedenis van de Westerse maatschappij zijn er twee kantelmomenten geweest: de industriele revolutie en de Tweede Wereldoorlog. Volgens Dijkstal zal de periode van zo 1975 tot nu over 50 jaar aangeduid worden als een nieuw kantelmoment. Dit derde moment werd veroorzaakt doordat de Koude Oorlog de motor van allerlei spectaculaire technologische ontwikkelingen werd. Deze verandering kent echter twee problemen. Ten eerste moet de mens zich na technologische vooruitgang ook sociaal gezien aanpassen, ‘Hoe gaan wij simpele mensen hiermee om?’. Ten tweede kunnen mensen volgens Dijkstal per definitie slecht tegen veranderingen omdat ze er onzeker van worden. Men gaat op zoek naar zekerheden en als die niet te vinden is gaat men gefrustreerd gedrag vertonen. In longitudinaal onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau geven mensen al jaren aan dat ze gelukkig zijn met hun prive-sfeer, maar onzeker zijn over de maatschappelijke ontwikkelingen.

De Nederlander is de laatste decennia dan ook geconfronteerd met een aanzienlijk aantal ontwikkelingen. Dijkstal noemt secularisatie, individualisering, fragmentarisering (ieder zn eigen groep), ont-hierarchisering, informalisering (regels zijn minder van belang), technologisering (hij noemt email de slechtste ontwikkeling ooit en reeds een sociaal probleem) en internationalisering (veel problemen zijn niet meer nationaal op te lossen). Later noemt hij nog de immigratie-golf. Deze veranderingen zorgen voor grote onzekerheden binnen de Nederlandse maatschappij. De vraag is hoe we zekerheid kunnen verkrijgen.

Dijkstal zegt dat het van je omstandigheden afhangt of je hier in slaagt. Hij noemt het boek van een Nederlandse hoogleraar in Washington die de ramp in New Orleans naar Nederland verplaatste. Het water komt tot Apeldoorn, maar een kleine strook aan de kust is veilig. Dijkstal woont in Wassenaar. Naast dat de mensen in Wassenaar hun persoonlijke, sociale en maatschappelijke omstandigheden al mee hebben, spaart dus ook het water hen in geval van nood. Anderen zijn slechter af.

De ontwikkelingen in de communicatie-technologie zijn enorm. De rol van televisie is groot. Beeld is onze samenleving gaan domineren door de massaliteit waarmee tv in ons leven aanwezig is. Het is alsof we permanent met beelden gebombardeerd worden. Daarnaast groeit ook de rol van Internet. Ook kranten worden beheerst door beelden, foto’s worden zo geplaatst dat ons oog er direct op valt. Soms wekken de foto’s positieve emoties op, maar vaak ook negatieve. Onze reactie op beelden is als een reflex, onze hersenen beginnen pas later met denken.

Volgens Dijkstal is deze ontwikkeling zo snel gegaan dat we geen idee hebben wat voor invloed en kracht beeld heeft. Het resultaat is echter wel dat we continu in hypes zitten (moord van Gogh) en dat iedereen daarin achter elkaar aan loopt. De reacties zijn buiten proportioneel. Een goed voorbeeld is het recente vraagstuk van de dubbele nationaliteit waarover iedereen een mening heeft, maar wat eigenlijk een zeer gecompliceerd vraagstuk is dat nauwkeurige bestudering vraagt. Zonder tv zouden hypes in deze omvang niet mogelijk zijn geweest. Het probleem is, en hier leent Dijkstal van UvA-hoogleraar (en Leids Cleveringa-hoogleraar) Schuyt, dat tv geen context kent en dat je die context enkel verweft door te lezen.

Dijkstal vraagt zich af of wij vinden dat er nog een fort is om te verdedigen.

We moeten een ding echter niet vergeten. Ooit hebben we besloten een grondwet te maken, een democratie te stichten en een rechtstaat op te bouwen omdat we alle slechte zaken uit het verleden (geweld, moord, foltering, etc.) een halt toe wilden roepen. Deze instituties komen door de huidige ontwikkelingen echter wel in gevaar als controle moeilijker wordt. Door de tv (Dijkstal vertelt over een minister die reageert op iets waarover hij niets te zeggen heeft omdat het gedecentraliseerd is naar provinciaal niveau, maar waarover een kamerlid toch een vraag heeft gesteld nadat zij in een uitzending van Nova woest had gereageerd op de gegeneraliseerde problematiek die het programma had opgepikt nadat er een tip was binnengekomen over 1 geval) wordt populisme makkelijker.

Dijkstal voorziet ook dat het populisme (dat hij definieert als populair, oppervlakkig en enigszins demagogisch redeneren om stemmen te werven) in de Nederlandse politiek enkel zal groeien. Populisme en openbaar bestuur zijn echter niet te verenigen. Luizen in de pels zijn nuttig, maar als ze meedoen aan een regering zorgt dat voor het slechtste kabinet ooit (Balkenende I). Dijkstal vindt dat er bepaalde sentimenten onder de bevolking terecht zijn, zoals het gevoel van onveiligheid. Andere sentimenten zoals xenofobie, respectloosheid en de invoering van de doodstraf moet je volgens hem niet willen, hij dacht dat we daar nu toch wel over uit waren. Deze sentimenten brengen onze rechtstaat en democratie in gevaar en dit kan iemand als Geert Wilders niet willen. Dijkstal voorspelt ook dat hij hierop onderuit zal gaan.

Dijkstal is het ook fundamenteel oneens met mensen als Wilders, maar ook Hirsi Ali, dat zij geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor dingen die als gevolg van hun uitspraken in de Kamer gebeuren. Zeker in de Tweede Kamer heb je een sterke verantwoordelijkheid. Bij het recht van vrijheid van meningsuiting hoort ook een plicht, zijnde het in ogenschouw moeten nemen van het effect van je woorden.

Dijkstal legt hier een link met tv-makers. Deze zijn volgens hem ook slecht op de hoogte van het effect van de dingen die ze produceren. Zo zei hij ooit tegen Peter Arnett, de journalist die als eerste oorlogen voor CNN versloeg, dat het resultaat van zijn daden was dat Dijkstal geconfronteerd werd met precieze beelden van de val van Baghdad, met raketten die mensen doodden. Dijkstal heeft ook problemen met reality-shows die mensen vreselijke dingen tonen en toch ook een bepaalde sensatielust in mensen opwekken.

Echt met oplossingen komt Dijkstal niet. Hij vindt dat politici zich meer bezig zouden moeten houden met lange-termijn beleid en minder met de waan van de dag. Ook zegt hij dat ze geen uitspraken zouden moeten doen over zaken waar ze niets mee te maken hebben. Hij denkt dat de ontwikkeling op een zeker moment zichzelf wel zal corrigeren.

Dijkstal had het niet over onderwijs, over het opvoeden van verantwoordelijke burgers die dit soort ontwikkelingen begrijpen. Voor mij zijn die zaken cruciaal. Ik ben het voor het grootste deel eens met zijn schets, al begreep ik een studiegenoot van me ook wel toen hij zei dat er wel heel erg de nadruk werd gelegd op het negatieve en dat veel politici ook zeker achter de schermen bezig zijn met nuttige zaken. Ik moest ook continu denken, en een andere studiegenoot ook, aan het boek The Human Condition van Hannah Arendt, dat we onlangs lazen voor een ander vak, animal laborans. Ik kreeg verder het gevoel dat de media onderling, in de strijd om het beste nieuwtje aan de ene kant en de wens om goed onderzoek te doen aan de andere kant, in een enorm Prisoner’s dilemma verwikkeld zijn, maar daarvoor moet ik toch echt mijn boek over rationele keuzetheorie wat beter doorspitten. Mijn studie is best leuk!

En over Hans Dijkstal. Hoewel ik nu ik dit allemaal heb neergetypt niet echt een zeer duidelijke lijn in zijn betoog kan ontwaren en graag oplossingen had gehoord van hem, ben ik er wel achter dat mijn vooroordeel van hem slechts gedeeltelijk klopte. Wat een inspirerende spreker!

3 opmerkingen:

machiruda zei

Mooi stukje Chelle! Klinkt inderdaad inspirerend, en ik ben het zeker wat betreft uithollende media en politici die op elk klein incidentje reageren 'omdat dat nou eenmaal moet' met hem eens.

Doet me denken aan CDA-politicus die in Tokyo eens langs kwam en daar in zijn speech ook op inging (dat zoveel Tweede Kamer leden met kleine incidenten aan de haal gingen om maar in de media gehoord te worden) en dat afkeurde. Waarna hij doodleuk vertelde over hoe hij net op de regionale radio iets had verteld over weetikveel wat voor klein niet relevant dingetje. Right...

Anoniem zei

Een "internet-vrije kamer", alsof dat geen gebrek is maar een bevrijding, dat klinkt ook wel erg als een uitspraak van H. Dijkstal :)

Floor zei

Hmmm... Ik dacht al, wat deed Dijkstal nou op de parkeerplaats voor FSW in zijn BMW in een nogal ongelukkige bijzondere verrichting verwikkeld...?